Rommelmarkt (juni 2019)

"Je moet eens komen kijken bij onze rommelmarkt, da’s net iets voor in die rare stukjes van jou", zei mijn dartmaat, terwijl hij met de zoveelste gelukstreffer alweer een spelletje uitgooide. Natuurlijk wist ik van de vlooienmarkt van de lokale scouting, op tweede pinksterdag. Al wekenlang leek iedere lantaarnpaal in het dorp overeind te worden gehouden door manshoge borden die er reclame voor maakten. Zonder te happen op zijn speldenprik, bestelde ik het verspeelde rondje en besloot zijn uitnodiging te accepteren.

Zodoende zat ik ineens op maandagochtend aan een bekertje waterige koffie in het honk van de scouting, tussen een horde in frisgroen gestoken puisterige pubers en enkele rijk gedecoreerde, maar uitgeblust ogende leiders die vergeefs trachtten hen in toom te houden. Toen de verkenners naar buiten gedirigeerd waren om de laatste voorbereidingen te treffen, praatte het dartwonder me bij. "Als de hekken opengaan, da’s eigenlijk gewoon het mooiste".

Ik had geen idee wat hij bedoelde, maar toen we later, na nog meer koffie en twee gevulde koeken, naar buiten kuierden werd alles duidelijk. Voor de nog gesloten toegangspoort verdrong zich een menigte, mannen en vrouwen, zodanig dat het toch solide hekwerk wel leek op te bollen. Druk gebarend en elkaar met bliksemende ogen opzij duwend, streden ze om die ene plek die een onbelemmerde doorgang richting koopwaar zou moeten garanderen.

Mijn maat stootte me aan: "Nu, let op". Op veilige afstand keken we toe hoe een verkenner met ware doodsverachting het hangslot verwijderde, waarop de meute als één man naar voren dromde. De poort zwiepte open en sloeg met een metalig geluid tegen het hekwerk terwijl de kooplustigen zich op de kraampjes stortten. "Ze kopen alles met een stekker" klonk het smalend naast me. En inderdaad, al vrij snel verlieten de eerste koopjesjagers weer het marktterrein, zonder uitzondering in het bezit van een of meer elektrische apparaten. "We hebben wel eens een kabel vastgemaakt aan een blok haardhout; die was gelijk weg voor vijf euro". Hij grinnikte vilein.

Naar huis fietsend bedacht ik zo dat ik vast nog wel enkele elektriciteitssnoeren had liggen en ook nog wel wat kachelhout.

 

Mijn grootvader was een slavendrijver (juni 2019)

Zo, het is eruit. En dan bedoel ik natuurlijk niet mijn beide opa’s. Dat waren noeste, hardwerkende mensen die in het zweet huns aanschijns het karige brood verdienden voor hun gezin. Die keurig de spruitjes opaten die hun vrouwen hen, na alweer een dag ploeteren, voorschotelden. Eerzame lieden waren het die hun, naar goed katholiek gebruik talrijk, kroost voor het slapen gaan een liefdevolle aai over de bol gaven. Nee, ik heb het hier over een van mijn verre overgrootvaders.

Die kwam ik gisteren tegen, toen ik een doos met oude familiefoto’s omkieperde en plotseling oog in oog stond met hem. Een streng kijkende man met een wurgend hoge witte boord, een spuuglok waar een Duits despoot jaloers op zou zijn geweest en een monumentale knevel. Geen snor, maar een knevel. Eentje die, met de punten krijgshaftig omhoog gedraaid, stijf stond van de pommade. Ik realiseerde het me meteen. Dit moet wel een van die koloniale blanke uitzuigers zijn geweest waarover hedendaagse media niet uitgepraat raken.

Ik kon me de proleet zomaar voorstellen: gekleed in jachttenue, een monocle voor het oog en de benen gestoken in té blinkend gepoetste rijlaarzen, de ‘nikkertjes’ afsnauwend die op hun knietjes met hun blote handen de aardappelen uit de schrale Brabantse zandgrond wroetten. Ik zie hem in het Deurnesche veen nodeloos de karwats heffen tegen, tot hun enkels in het moer staande, turfstekende negertjes, onderwijl ongetwijfeld verlekkerd kijkend naar door uitbuiting en bittere armoe schaars geklede negerinnetjes. Van dat laatste ben ik overigens vrij zeker, het blijkt een notoir familietrekje te zijn: te pas en vooral te onpas het verstand te vergapen aan niet of nauwelijks verhulde vrouwenlichamen. Van katoen plukken was geen sprake, hier in de Peel. Wij zagen niks in die pluizige rommel.

Mij rest nu natuurlijk niets anders dan het aanbieden van mijn diepste verontschuldigingen voor het gruwzame gedrag van mijn voorgeslacht. Bij dezen: mea culpa. En uiteraard dienen deze wandaden ook geldelijk gecompenseerd te worden: u heeft volkomen gelijk. Dus voelt u zich nu met terugwerkende kracht uitgebuit en zit u hierdoor emotioneel in zwaar weer? Stuur mij, eventueel onder rembours, uw bankpasje en uw pincode. Ik zal zien wat ik voor u kan betekenen.

 

Herdenken (juli 2019)

Er wordt iedere dag wel iets herdacht. Een vliegramp, een aanslag, een moord; dagelijks blikken de kranten likkebaardend terug op een trieste gebeurtenis die jaren terug, juist op deze dag, plaatsvond. En uiteraard is er een officiële herdenkingsplechtigheid. Ik vind dat prima; het is mooi dat mensen hun overleden naasten op een waardige manier kunnen eren. Iedereen heeft wat mij betreft recht op zijn eigen verdriet en het staat eenieder vrij dit op geheel eigen wijze een plaats te geven.

Ik heb het nu niet over de opgeklopte toestanden rond herdenkingen van een -grijs- slavernijverleden of andere koloniale misstanden. Achter de krokodillentranen van de daar verzamelde beroepsgekwetsten zie ik niet alleen een zorgvuldig gekoesterd minderwaardigheidscomplex, maar zeker de intentie tegen onze ‘blanke’ maatschappij te willen schoppen en op de eerste plaats het graaien naar eventuele herstelbetalingen door deze huiliehuilies.

Wat mij stoort bij alle wél serieuze herdenkingen, zijn de hoogwaardigheidsbekleders die menen acte de présence te moeten geven. Als ratten komen ze uit hun ivoren torens gekropen om het uitgelopen plebs toch maar vooral te tonen hoe onnoemelijk betrokken ze zijn. Voor ze de deur uit gaan zetten ze voor de spiegel hun meelevend masker op en oefenen ze de valse woorden van deelneming, die door hun net zo hypocriete spindokters zijn voorgekauwd. De Trumps van deze wereld misbruiken het oprechte verdriet van nabestaanden enkel ter meerdere eer en glorie van zichzelf en vooral van hun carrière. Camerageil als ze zijn, is voor hen alleen van belang dat hun geveinsde respect voor de gestorvenen en hun schijnbare compassie met hen die achterbleven nadrukkelijk belicht worden.

Maar goed, ieder zijn herdenking dus. Zelf vieren wij jaarlijks het leven van mijn, enkele jaren terug gestorven, vader op zijn verjaardag en dat doen we op de manier waarvan wij denken dat hij het gewild zou hebben; we zoeken een goed terras op en heffen meermaals het glas op hem. Zo kan respectvol gedenken blijmakend geweldig zijn.Vandaar dat ikzelf vandaag de grote brand van Rome, nét 1955 jaar geleden, memoreer. Ik vloek een keer op Nero en proost diverse keren uitgebreid op de slachtoffers.