Hijgende motoren (juli 2019)

Zoals ieder jaar bezocht ik dit weekend hét motorevenement. Denk nu niet dat ik me met tienduizenden tweewielige wegpiraten ben gaan vergapen aan kamikazepiloten die, meer naast dan op hun snelheidsmonster en met snelheden waar een normaal mens akelig van wordt, over een circuit razen. Hoewel ik onderuitgezakt op de bank graag kijk naar dit soort waaghalzerij, is dat niet iets waarvoor ik mijn voordeur achter me dichttrek.

Nee, deze motorhappening kenmerkt zich door bezadigde bezoekers, dito deelnemers en wedstrijdmachines uit de glorietijd van het stalen ros. Allemaal van middelbare leeftijd dus, of zelfs flink wat ouder. Niet dat er niet serieus geracet wordt; integendeel. Walmend en vaak rammelend stormen de klassiekers over het rechte stuk, beklimmen met doodsverachting de roemruchte Eau Rouge om dan hijgend en bulderend tussen de Ardense heuvels te verdwijnen. De coureurs zijn gehuld in leren overalls met schaafplekken die duidden op heldendaden van weleer, ruiken zonder uitzondering naar verbrande olie en hebben onwasbaar smerige handen van het oneindig sleutelen.

Uiteraard merkte ik dat niet op terwijl ze voorbij stoven, maar wel tijdens een wandeling door het rennerskwartier waar ik de halfgoden van het mechanisch geweld en hun donderfietsen van dichtbij kon bewonderen. Bezoekers bleken voor het overgrote deel mannen. Schaars aanwezige vrouwen verdienden veelal geen schoonheidsprijs; een gewetenloze vriend van mij zou ze botweg kwalificeren als ‘het kapotkijken niet waard’. Vaal gewassen shirtjes met verbleekte motorhelden waren veruit favoriet bij de motorfietsvrienden en omspanden vaak, te ver opgerekt, royaal bemeten buikjes. Een enkeling liep rond in een motorpak dat betere tijden gekend had en waarvan de ritssluitingen het zwaar te verduren hadden.

Allemaal wel, bleken het connaisseurs die, de machines met kritische blik beschouwend, kwistig strooiden met enkel voor de ware liefhebber verstaanbare vaktermen.

Naarmate de dag vorderde verminderde de belangstelling voor de 'bikes' en werd het drukker bij de biertenten, waar zwaar beplakte Engelsen en luidruchtige Nederlanders het voortouw namen. Het zou er wel even onrustig blijven leek me zo. Toen ik later, met de geur van warme olie en verbrand rubber in mijn neus, terug liep naar de parkeerplaats besloot ik de volgende dag met de brommer naar mijn werk te gaan.

 

Zwartrokken (juli 2019)

Vanavond, op deze overdreven zwoele zomeravond, zat ik in mijn tuin. Nu is dat misschien een te milde benaming voor het plaggenveldje wat voor gazon door zou moeten gaan en de enkele armetierige bessenstruik die ik, in een groene opwelling van voorbijgaande aard, in de schrale grond heb geduwd. Grassprieten blijken er, om mij onbekende redenen, tussen de enorme hoeveelheden mos en distels niet te kunnen overleven, maar tussen de stoeptegels daarentegen welig te tieren. Ik had mezelf, na een zweterige dag bij de baas, gefuifd op een goed glas en overdacht mijn zonden; een bezigheid waarmee ik met gemak een week of wat vooruit zou kunnen.

Terwijl ik het tweede -oké, misschien derde- flesje ontkurkte werd de gezapige rust in de negorij waar ik woon verstoord. In een forse boom, een eind verderop, had zich een zwerm roeken verzameld. Het zouden zomaar ook kraaien geweest kunnen zijn; ik kan ze van veraf moeilijk uit elkaar houden. Elkaar voortdurend in de rede vallend beraadslaagden ze over voor roeken belangwekkende zaken en luidkeels deelden ze allemaal tegelijk de laatste nieuwtjes. Voor een toehoorder als ik, de taal van het geslacht Corvus niet machtig, een gekrakeel van jewelste, maar voor de meute in de boom duidelijk een alledaagse vergadering.

Tegelijk vloog het gezelschap plotsklaps op en vertrok naar haar vaste slaapplek, nauwelijks een paar honderd meter verder, in de uit de kluiten gewassen eiken aan de voorkant van mijn huis. Even was de lucht boven mijn hoofd vol van vleugelgeruis en het oorverdovende kabaal van het ook in vlucht heftig argumenterende ‘roekenparlement’, zoals de Engelsen zo mooi zeggen.

Al snel zag ik ze niet meer, maar zo te horen hadden ze al rap allemaal hun tak gevonden en abrupt werd het stil. Blijkbaar had er eentje, die wat meer in de melk te brokkelen had dan de anderen, besloten dat het genoeg was en iedereen gemaand de snavel te houden. Af en toe hoorde je nog een tegendraads individu dat achteraf toch nog wat te mekkeren had. Notoire dwarsliggers heb je blijkbaar ook bij roeken; ik voelde me even bijzonder verwant.

 

Da's kunst meneer (juli 2019)

Niets mooiers dan je op de vroege morgen, met een mok koffie binnen handbereik, lekker ergeren aan hetgeen het regionale sufferdje je voorschotelt. Ook deze ochtend kon ik mijn hart weer ophalen. Paginabreed verhaalt de krant erover dat in Breda een monument onthuld wordt voor kinderen die op die plek zijn omgekomen. Niks mis mee, zult u zeggen, en dat vind ik ook. Een foto toont het kunstwerk: een blauwe boog van ‘Duitse klei’ (huh?) met zeven gekleurde bolletjes eromheen en in het artikel vertelt de kunstenaar ons, nitwits, wat het voor moet stellen.

En daar wringt nou mijn schoen. Uitleggen wat het verbeeldt? Kan zo’n figuur niet gewoon iets maken waarvan zelfs ík gewoon kan zien wat het is? Ook in mijn dorp zijn we overspoeld met gedrochten waarvan je alleen maar weet wat het voorstelt als je het gegraveerde bordje eronder gelezen hebt. Voortdurend zie ik dat ‘kunst’ niet gaat over wát je maakt maar over hoe je het verkoopt. De commissies die dit soort ‘creaties’ met ooh’s en aah’s overladen bestaan, naar mijn idee, uit met hetzelfde sop overgoten charlatans als de ‘artiest’ in kwestie. Een hautain kunstkliekje dat elkaar veren in de reet blijft steken en ons, gewone stervelingen, opdraagt waar we bewonderend naar moeten kijken.

Ooit had ik de ambitie kunstenaar te worden. In een grijs verleden bezocht ik zelfs enige tijd de gerespecteerde kunstacademie in den Bosch. Het waren fantastische jaren gelardeerd met immense hoeveelheden goedkope drank en vooral massa’s zeer gewillige vrouwelijke studiegenoten. Toch ben ik uiteindelijk op school gaan vertellen dat ik er mee kapte. Mijn motivatie dat ik er niet werd opgeleid tot kunstenaar maar tot kunstenmáker oogstte geen applaus. En kunstenmakers, daar stikt het van, in het artistieke wereldje.

Naschrift: Zojuist heb ik een fantastisch kunstwerk gekleid. Ik zag meteen dat het bijzonder bruikbaar is als monument voor de watersnoodramp in 1953. Of willekeurig welke overstroming dan ook; zoek maar een goeie uit. De enigszins vormeloze bruine massa in het midden symboliseert een dorp omringd door troebel water. De aandachtige beschouwer ziet zelfs het puntje van de kerktoren omhoogsteken.