Mijn dank grenst aan hondsdolheid (augustus 2019)

Wie had nou kunnen denken dat mijn vorige stukje, over potsierlijke kunstwerken die her en der neergekwakt worden, meteen geïrriteerde reacties zou opleveren? Dank! Uw frustraties maken mij intens gelukkig; van het berichtje van één woord van de anonieme schijtlijster die met hoofdletters ‘cultuurbarbaar’ schreeuwde, tot de twee epistels van ‘kunstliefhebbers’. De een jankte in mij teleurgesteld te zijn, de ander had me ‘hoger ingeschat’. Mooi. Niet dus. Ik wens ze darmkrampen toe terwijl ze hun commentaartje tikten en weer een reden te meer voor mij nogmaals lekker tegen dat tere zere beentje te trappen.

Want het zijn niet alleen de wanstaltige brokken klei en brons die ik het omschoppen niet waard vind; ook veruit de meeste zogenaamd abstracte schilderijen, tekeningen en collages mogen wat mij betreft rechtstreeks de kachel in. Wanneer ik niet eens kan zien wat het voorstelt is het voor mij een nodeloze verspilling van schilderslinnen en verf. Telkens wanneer ik zo’n beklad doek ontwaar -vaak in overheidsgebouwen of bedrijven- zie ik daarachter de ‘diepzinnig peinzende kunstenaar’, die na een kwartiertje verf smeren nog jarenlang in zijn vuistje lacht bij de gedachte aan de sukkelaars die er dik geld voor neertelden.

Ergens in de krochten van een museum of kunstopslag moet trouwens nog een zéér non-figuratief werk van mijn eigen hand liggen. Op een lang geleden avond stormde in mijn stamkroeg een, normaliter bij het interieur behorende en inmiddels overleden, lokale kunstenaar binnen. Gehaast vertelde de levensgenieter daags erop acht schilderijen te moeten inleveren voor de Beeldende Kunstenaars Regeling. Of wij even wilden bijspringen? Grootmoedig stemden mijn kompanen en ik toe, op voorwaarde dat hij voor de benodigde alcoholische inspiratie zou zorgen. De volgende dag leverde hij maar liefst negen werken in; kletsnat nog. Ik bedoel maar. Deze BKR werd opgeheven, maar ik ben er braaf zeker van dat veel ‘kunstzinnigen’ inmiddels weer een soepele weg naar onze gemeenschapscenten gevonden hebben.

Nu ik erover nadenk; misschien dat ik me bij de eerstvolgende kunstveiling van het lokale museum wel zo’n abstract werk aanschaf en dat in het toilet tegen de muur spijker. Het zal mijn stoelgang vast en zeker bevorderen.

 

Gladde praatjes (augustus 2019)

Ik ben niet zo van de landelijke politiek. De meeste partijen bestaan voornamelijk uit zakkenvullers en of de ellende nu van links komt, of het gerotzooi van rechts, maakt in mijn optiek weinig uit. Iets van door de kat of de hond gebeten worden en zo. Mijn stemgedrag wordt dan ook vooral bepaald door persoonlijke sympathie of eigenlijk voornamelijk antipathie voor de verkiesbare politiekelingen. In gedachten stel ik me ooit de vraag of ik van de betreffende man een gebruikte auto zou kopen. Ik ben in mijn leven al zo vaak beroerde vehikels aangesmeerd dat ik mezelf wel ter zake kundig kan noemen.

Partijen met boegbeelden als Rutte, Klaver en Jetten kunnen het na zo'n afweging meestal wel schudden. Ik zie onze premier zo staan bij een morsige handel in occassions op een achteraf industrieterreintje dat betere tijden gekend heeft. Mij met een veel te witte glimlach met ver uitgestoken hand begroetend, in een versgestreken spijkerbroek van een twijfelachtig merk en een goedkoop overhemd met een iets te opzichtige stropdas. Zonnebankbruin en met een glimmende imitatierolex om de pols. De glibberige autohandelaar die vertrouwelijk zijn hand op mijn arm legt, terwijl hij me verzekert dat de verdachte plas onder ‘deze prima occasie’ er al tijdenlang lag.

Jesse Klaver oogt als het ‘jochie van de straat’ dat mij er, breedsprakig en met weidse gebaren, van zou proberen te overtuigen dat de auto niet gestolen is. Dat de papieren en de sleutels weliswaar even kwijt zijn, maar dat ie dat nog gaat 'regelen'. Nadat ik betaald heb. En in Rob Jetten zie ik het verwende snotjong dat me met de hand op het hart en tranen in de ogen zal vertellen dat de verlaagde Japanner met racestrepen en drie ton op de klok écht van zijn net vorige week overleden moeder is geweest. Die ‘m alleen gebruikte om op en neer naar de bingo te rijden.

Van Sybrand Buma zou ik zo een auto gekocht hebben denk ik. Onderweg naar huis zou ik er dan achter gekomen zijn dat de remmen versleten waren en de ruitenwissers niet werkten. Halverwege zou het olielampje zijn gaan branden.

Zoals altijd.

 

Blotebillenparade (augustus 2019)

Je kunt de kijkdoos niet aanzetten of er komt wel iemand voorbij die iets waanzinnig zinnigs te melden heeft over de Canal Parade, Gay Parade, Gay Pride Week of hoe het ook heten mag. De ene hotemetoot na de andere schuift aan bij de diverse sensatiegeile talkshows om maar aan te geven hoe belangrijk dit evenement is voor de hele ‘ho-le-bi-tra-la-la-gemeenschap’. Mocht u nu hopen dat ik hier een tirade af ga steken tegen anders geaarden moet ik u teleurstellen. Het boeit me werkelijk totaal niet of je als hotdogliefhebber liever het worstje of het sneetje hebt of het allebei lust. Ook figuren die graag hun piemol willen laten afsnijden of er juist een aan willen laten plakken kunnen weliswaar niet op mijn sympathie rekenen -waarom zou ik ze sympathiek moeten vinden, er zijn maar weinig mensen die ik aardig vind- maar wel op mijn welgemeende onverschilligheid.

Waardering voor de extravagante kanaaloptocht kan ik moeilijker opbrengen. Het argument dat deze wereldvreemde stoet vooral begrip zou moeten kweken voor holebi’s et cetera, gaat er bij mij niet in. Zouden organisatoren en deelnemers nu echt denken dat je de rest van de wereld kunt laten zien hoe doodgewoon je geaardheid is door je te afficheren als een verzameling door seks geobsedeerde karikaturen? Zou het publiekelijk zwaaien met geslachtsdelen, jezelf in het openbaar uitdossen in -veel te- weinig verhullende lingerie en het elkaar openlijk aflebberen nou echt bijdragen aan meer acceptatie? Ik waag het te betwijfelen.

Natuurlijk hangen we straks weer met z’n allen voor de buis en uiteraard proberen we allemaal zoveel mogelijk pikante details op te vangen. Toch ben ik verrekt blij dat ik mijn zwager en zijn man -die ik allebei een warm hart toedraag- niet in deze beschamende processie zal ontwaren. Die zitten waarschijnlijk thuis op de bank gewoon te wezen.

Om mezelf toch een beetje in te kunnen leven heb ik -bij gebrek aan een passende reetveter- een stuk henneptouw door mijn bilspleet getrokken en mijn achterzijde eens in de spiegel bekeken. Probeer uzelf er geen beeld bij te vormen; het was een weinig verheffend gezicht zeg ik u.