Met huid en haar (februari 2020)

Afgelopen zondag koesterden enkele klasgenoten en ikzelf ons in een waterig zonnetje op een terrasje in Maastricht. Ik zal u niet vermoeien met een opsomming van de door ons overdadig genuttigde consumpties. Een aangenaam verwarmd terras maakt dorstig, laten we het daar maar bij houden. En het was echt niet dat mijn tafelgenoten niet interessant genoeg waren en de conversaties niet sprankelend, maar ongewild werd mijn blik regelmatig getrokken door het tegenoverliggende pand. 'Kapsalon en Haar en Huid Adviescentrum Craft' stond er in zeer modieuze letters op de gevel en prominent in mijn gezichtsveld prijkte, enigszins uit de toon vallend in de verder akelig strakke vormgeving, het protserige schild met de trotse titel 'Hofleverancier.'

Nu is het niet zo dat ik een obsessie heb voor kapperszaken, mijn povere haardos geeft daartoe weinig aanleiding, en ook heb ik geen ongezonde fetisj voor haarsnijders en kapsters. Sterker nog; het oeverloze gewauwel van kappers, terwijl ze de laatste schamele haren zochten op mijn kruin, vond ik alle reden over te gaan tot aanschaf van een solide tondeuse. Wat mij vooral intrigeerde was het fenomeen hofleverancier in combinatie met bovengenoemde nering.

Ik neem gemakshalve aan dat onze majesteit in de buurt van Wassenaar best een coiffeur kan vinden, die zijn royale haardos en rossig sikje af en toe kan trimmen. Geen enkele reden voor hem daarvoor af te reizen naar het uiterste zuiden des lands. De enige conclusie die ik, na enig piekeren, kon trekken was dat het 'Huid Adviescentrum' haar diensten dus wel moest offreren aan onze soeverein.

U kent mij als een ergdenkend mens met een door en door slechte inborst, dus ik begon me ter plekke een voorstelling te maken van de koninklijke klandizie.

Nu is een gevalletje vervelende huidziekte, zeker wanneer het zich op een enigszins precaire plaats voordoet, voor een regerend despoot niet iets wat je graag aan de koninklijke klok hangt, zo lijkt me. De complete boulevardpers, alle notoire roddelblaadjes en Peterr de Vries en andere vileine kwaadsprekers zouden meteen hun kans ruiken en ons eerzame staatshoofd op de meest gruwelijke wijze aan de schandpaal nagelen en besmeuren.

Ik stel me dus voor dat onze monarch op een vroege maandagochtend in Den Haag de trein neemt, tweede klasse natuurlijk om minder op te vallen, en met opgeslagen kraag en voorzien van een donkere zonnebril afreist richting het bronsgroen eikenhout. Waarschijnlijk heeft onze vorstin al daags tevoren via internet een goedkoop retourtje voor hem aangeschaft. Dat verkleint het risico op herkenning aan het loketje en het scheelt toch weer in de kosten. Ook in Paleis Huis ten Bosch zal immers de tering naar de spreekwoordelijke nering gezet moeten worden. Met het uitgeprinte plaatsbewijs in de knuist geklemd neemt hij waarschijnlijk plaats in een stiltecoupé. Reizigers die daar bewust voor kiezen lijken mij over het algemeen wat wereldvreemde zonderlingen, die alle contact met hun medereizigers koste wat kost willen vermijden. En dat is iets wat onze opperheer in dit geval prima past natuurlijk. Vanaf station Maastricht wandelt hij dan in een straf tempo de laatste dikke kilometer die hem nog scheidt van zijn eindbestemming. Een dergelijke mars is uiteraard peanuts voor de Elfstedentochtbedwinger.

Aangekomen bij Kapsalon en Haar en Huid Adviescentrum Craft, zie ik hem wat schichtig om zich heen kijken, waarna hij steels, via een zijdeurtje en een stijl trapje, een schimmig behandelkamertje betreedt. De pronte, in smetteloos wit gestoken, Limburgse velspecialiste, die natuurlijk uiterste discretie beloofd heeft, zal hem vervolgens verzoeken de koninklijke pantalon te laten zakken.

Over wat ze mogelijk aantreft en de mogelijke behandeling ervan wilde ik me, prinsheerlijk gezeten op een terras in de zon, geen voorstelling maken. Wel zag ik nog voor me hoe de Sire na afloop zeer opgelucht via dezelfde weg het pand verlaat, de straat oversteekt en plaats neemt op ditzelfde terras, misschien wel aan ons tafeltje. Na een vorstelijk glas trappist te hebben besteld zal hij zijn leesbrilletje opzetten en op zijn gemak de bijsluiter lezen van het twijfelachtige tubetje crème dat hij meegekregen heeft.

 

Kijkdoosdrama (februari 2020)

Ook ik kijk televisie, weliswaar zo min mogelijk en vaak niet eens van harte, maar eerlijk is eerlijk; ook ik bezie, comfortabel zittend op mijn rug, met enige regelmaat alle ellende die de omroepen over ons uitstorten. Gelukkig spendeer ik nog steeds meer tijd voor mijn beeldscherm dan voor de beeldbuis, maar mocht Mad Max voor de twaalfde keer herhaald worden of Fawlty Towers nog eens integraal op het scherm verschijnen, ga ik er toch maar weer voor zitten. Bij dat soort gelegenheden probeer ik er dan maar meteen een persoonlijk feestje van te maken met een passend hapje en een drankje(s).

Nu is mijn ongeluk, of geluk zo u wilt, dat ik een absolute beelddenker ben. Bovendien ben ik een afgrijselijk hypochonder zodat ik nog dagenlang kuchend, krakend en klagend door het leven ga na het zien van programma’s waarin allerlei aandoeningen uitgespit worden. En dat soort shows wordt juist steeds populairder, zo lijkt het wel. Ik kan de knop niet omdraaien of ik word overspoeld door witgejaste lieden die de huiveringwekkendste kwalen tot het laatste bloedstollende detail menen te moeten tonen, of die met satanisch genoegen de meest vreselijke karbonkels leegknijpen. Nu zijn er vast mensen die dat fantastisch vinden, denk ik. Anders zou het nooit uitgezonden worden nietwaar? Ik dus niet. Ik voel enkel het ene na het andere orgaan langzaam de geest geven en de volgende puist zijn witgepunte kop opsteken.

Dit soort programma’s zijn logischerwijs niet aan mij besteed, dat zult u begrijpen, en die mijd ik dan ook angstvallig. Ik beperk me dus meestal tot de eerste drie knoppen op mijn afstandsbediening of wend me tot een buitenlandse zender die zich toespitst op het uitzenden van droefgeestige Britse series van het ergste soort. Echter; wat ik ook daar niet in de hand heb zijn de reclames. De ene na de andere buitelt ook daar onverwachts over het scherm en voor vluchten of snel wisselen van kanaal ben ik in de regel te laat.

Zo keek ik een dezer dagen naar een aflevering van New Tricks, een enigszins deprimerende Engelse detective waarin het altijd lijkt te regenen, toen het noodlot wederom toesloeg. Omdat ik nu eenmaal ingesteld was op een avondje niet nadenken en wezenloos bankhangen, had ik mezelf getrakteerd op een aangenaam wijntje op kamertemperatuur en een zo van de plank druipend Frans schimmelkaasje. 'Helemaal niks mis mee', zegt u nu waarschijnlijk, en dat was ook zo. Tenminste; tot het moment dat de reclame mij een probaat middel tegen vaginale schimmel voorschotelde. Een ware bezoeking voor een visueel ingesteld persoon als ikzelf. Ik bezag mijn wit uitgeslagen stokbroodbeleg ineens in een heel ander daglicht, dat snapt u misschien wel. De wijn heb ik die avond nog soldaat kunnen maken, dat gelukkig wel, met een solide borrel er achteraan om de vreselijke beelden in mijn hoofd niet mee naar bed te hoeven nemen, maar de kaasplank bleef angstvallig onaangeroerd.

En natuurlijk ga je er dan steeds meer op letten, met alle ellendige gevolgen van dien. Het resultaat is alleszins bedroevend. Bij reclames voor hoestsiroop begin ik al te piepen en mijn blaas speelt op bij iedere voorbijkomende incontinentieluier. De veelgeprezen comfy-balls boxershorts doen mij vertwijfeld naar mijn kruis grijpen en mijn, steeds zichtbaarder wordende maar verder kerngezonde, hoofdhuid begint spontaan te jeuken bij antiroosshampoos.

Toch valt dit alles in het niet bij de reclameboodschap van de een of andere autoruitenreperateur die sinds kort mijn treurbuis teistert. Ik wil beslist de ho-bi-gemeenschap niet schofferen, maar ‘ieder sterretje scheurt een keer door’ doet mijn zitcomfort in elk geval geen goed.