De date( september 2019)

“Laten we eerst een keer gooien voordat we serieus gaan zitten zwetsen.” Mijn maat knikt naar het stukgegooide dartbord in de hoek en steekt tegelijkertijd met een routineus gebaar twee vingers op naar de barman. Ik heb, voor een opdracht van school, met hem afgesproken in onze stamkroeg om een keer te kletsen over mijn blogjes. Zonder mijn antwoord af te wachten glijdt hij van zijn kruk, loopt naar het bord en begint driftig het volgeschreven scorebord schoon te vegen.

“Weet je wat het is met die stukjes van jou? Eigenlijk heb je gewoon niks zinnigs te melden.” Hij trekt met een beslist gebaar zijn pijltjes uit het leren hoesje. Natuurlijk heeft hij eigen pijlen. Dure zelfs, met koddige flights erop van een bekende darter. Ik niet; ik ben veroordeeld tot het gehavende setje dat al in het bord stak.

Hij gooit meteen een triple en een enkel twintig met de eerste twee darts en vloekt als de derde van het bord ketst. Ik gooi ook, maar mijn score is niet om over naar huis te schrijven. Zoals gewoonlijk. “Zelfs mijn Anja leest die verhaaltjes van jou niet meer.” Hij gooit een enkele vijf en ik zie zowaar weer een kansje maar dat trapt hij subiet weer de grond in door een maximale score te halen met de laatste twee pijlen. “Terwijl ze in het begin toch een van je trouwe lezers was.”

Ik doe er het zwijgen toe en weet in mijn beurt zowaar een triple te raken; de twaalf weliswaar, maar toch. Om het te vieren neem ik een slok van mijn biertje. Nonchalant, zo lijkt het, gooit hij weer een verbluffende honderdveertig. “Eat this van Gerwen” bulkt hij terwijl hij de pijlen uit het bord rukt. “En weet je”, kakelt hij terwijl hij zijn monsterscore op het bord kalkt, “in het begin was je effe leuk, maar nu begin je een ouwe zeur te worden."

Natuurlijk wint hij het potje; op zijn sokken. Als hij zijn dubbel het bord in jaagt sta ik nog tegen een hopeloze achterstand aan te kijken. “Doe maar een pint voor deze jongen” grijnst hij me toe, terwijl hij zijn darts in het sjieke etuitje terugsteekt, “een grote.”

De rest van de avond verloopt enigszins in mineur, voor mij althans. Voor mijn kameraad niet. Die wordt liederlijk bezopen, laat midden op de dansvloer zijn broek zakken, staat op de wc te bekken met een blonde sloerie van duizend weken met grote tieten en wordt, na tegen de bar gepist te hebben, de kroeg uit gebonjourd.

Zo, nou eens kijken of Anja mijn stukjes niet meer leest.

 

Moeraskwijlers en beestjesknuffelaars (september 2019)

Ik woon in een dorp. Da’s mooi zult u denken en dat vind ik ook. Bijna dagelijks ruik ik ook dat ik in een dorp woon. Da’s dan weer minder denkt u nu, maar ik weet niet beter. Mijn dorp is omringd door agrarische bedrijven en, hoewel ik megastallen écht geen porem vind en mijn bedenkingen heb bij al die varkens op een kluitje, is dat een gegeven waarmee ik heb leren leven. Die boeren hebben het zwaar. Niet alleen door allerlei, vast terechte, door overheden opgelegde maatregelen, maar ook door de nabijheid van een beschermd natuurgebied. De beperkingen die daaruit voortvloeien zijn niet mals en worden steeds taaier. De stikstofuitstoot rondom het gebied moet omlaag en de lokale ecoridders sleuren daarvoor met graagte agrariërs voor de rechter.

Ik heb zo mijn twijfels over die natuurgebieden. Natuur is toch ongerept gebied waar de mens niet met zijn klootvingertjes aangezeten heeft, of zie ik dat verkeerd? Ons land is op de wereldbol ongeveer zo groot als een vliegenstront en iedere vierkante centimeter ervan hebben we in de loop der eeuwen al tig maal omgeploegd, omgespaaid (correct volgens het Vlaams woordenboek) en aangeharkt. Natuur is hier, volgens mijn definitie, nergens meer te bekennen.

Gelukkig hebben we natuurbeschermers, groenzoeters, klotterbiologen of hoe u ze ook maar noemen wilt. Wanneer ergens meer dan drie bomen of struiken bij elkaar staan bombarderen zij zo’n postzegel tot beschermd gebied, wordt ieder beestje dat daar volgens deze zelfverklaarde bioconnaisseurs niet thuishoort afgeschoten of weggejaagd, ieder boompje wat er naar de mening van de ecofascisten in rubberlaarzen ongewenst is gekapt, en er een hek omheen gezet zodat ongestoord ‘beheerd’ kan worden. Want ze willen natuurlijk niet dat randdebiele sukkels als wij zomaar in hun gekoesterde parkje gaan rondscharrelen. Dit alles met een financiële bijdrage uit ónze belastingpot uiteraard; van zelfredzaamheid hebben deze fletsgroene subsidiesponzen nooit gehoord.

Ik heb zojuist bedacht de luttele vierkante meters in mijn ‘tuin’ die nog niet verhard zijn (betonklinkers hoef je niet te schoffelen) te verklaren tot natuurgebied. Ik laat woekeren wat daar al welig tiert en ga lekker procederen tegen boeren in de buurt.

 

Al doende leert men (september 2019)

Laten we vooropstellen; ik was geen modelleerling op de middelbare school. Ik blonk vooral uit in afwezigheid, luiheid en duidelijke desinteresse. Slapeloze nachten zullen ze er niet van gehad hebben, mijn leraren van toen (docenten waren in die tijd nog échte bikkels), maar ze zullen ongetwijfeld telkens weer opgezien hebben tegen de lesuren waarin ik in hun klas mijn opwachting moest maken.

Dat was ook de reden waarom ik dit weekend met een enigszins bezwaard gemoed de reünie van mijn middelbare school bezocht. Ik stond er nou niet bepaald om te springen de docenten, die me toen al waarschuwden dat er niks van me terecht zou komen, onder ogen te komen. Ik had me dan ook voorgenomen mezelf in de mini-lesjes, die door de leerkrachten van vroeger tijden gegeven werden, zéér bescheiden op te stellen.

Een van die lesjes werd gegeven door mijn toenmalige lerares Nederlands, een mens waaraan ik, vooral door mijn afkeer van dat verplichte en in mijn optiek van toen volstrekt nutteloze vak, een gruwelijke hekel had. In mijn herinnering was het een vreselijke kenau die geen groter plezier kende dan het aanvegen van de vloer met de keuzes op mijn boekenlijst. Achteraf enigszins begrijpelijk; daarop prijkten voornamelijk literaire werken met een zo schunnig mogelijke inslag.

Uiteraard kwam ik te laat binnen en probeerde tot overmaat van ramp ook nog grappig te wezen door te zeggen dat het ‘eigenlijk net als toen’ was. De heks van weleer verwelkomde me niettemin hartelijk en bleek gewoon een alleraardigste dame te zijn die een half uur lang smakelijk vertelde over, u raadt het al, boekenlijsten. Af en toe leek ze schielijk mijn kant op te kijken.

Na afloop besloot ik haar een hand te geven en me te verontschuldigen voor mijn onhebbelijke gedrag van destijds. Ze bleek me nog te kennen: “jij was die jongen die zo weg was van de gedichten van François Haverschmidt”. Er viel een steen van mijn hart en ongekend opgelucht verliet ik zowaar een keer een klaslokaal.

Diezelfde avond heb ik er de melancholieke Piet Paaltjens nog eens op nageslagen; nog steeds keimooi!