Overstekend wild (oktober 2019)

Ik zie mezelf als een échte dierenvriend. Ik hurk neer bij iedere straathond, aai liefdevol poesjes en ik vind biggetjes, kalfjes en lammetjes keischattig. Ook nagenoeg alles wat zomaar in het wild los rondhuppelt, fladdert en plonst kan op mijn onverdeelde sympathie rekenen.

Vooral verschillende vogelsoorten vind ik, mits deugdelijk gemarineerd, met zorg gebraden en opgediend met peultjes en gebakken aardappeltjes, geweldig. Bepaalde onderdelen van runderen hoeven wat mij betreft zelfs nauwelijks de pan te raken; vaak suggereer ik het personeel in sjofele restaurants de koe aan mijn tafeltje vast te binden en mij te voorzien van mes en vork. Zelfs volledig anonieme beesten doen mij, weliswaar fijngemalen, in staafjes geperst, gefrituurd en geserveerd met een royale klodder hartkleppenvet, watertanden.

Dit terzijde. Ik gun al die beestjes in de vrije natuur dan ook paddenpoelen, wildroosters, zwaluwwanden, ecoducten en wat dies meer zij, zolang ik er zelf tenminste geen last van heb en er niet voor hoef te betalen. Ja ik weet het; het wordt allemaal gefinancierd met ‘ons’ geld. Dat doet me, vooral dankzij mijn kingsize oogkleppen, niet zo’n pijn.

Het regionale sufferdje meldde mij vanmorgen dat ook ergens bij mij in de buurt zo’n beestenviaduct verrezen is. Je gaat je dan, achterover hangend met een bak koffie, dingen afvragen.

Zo’n ecoduct; is dat eigenlijk tweebaans? Het wordt anders natuurlijk een volslagen chaos wanneer een fors roedel edelherten aan de ene kant probeert over te steken terwijl aan de andere kant een kudde vrolijk wroetende zwijnen hetzelfde plan heeft opgevat. En zitten daar dan stroken in voor langzamere verkeersdeelnemers? Het mag natuurlijk niet zo zijn dat een argeloos emigrerend veldmuisje onverwacht wordt overlopen door een achteropkomend stel bronstige moeflons dat vrouwelijk schoon aan de andere zijde vermoedt. En dan heb ik het nog niet eens over dilemma’s met kolen, geiten en wolven; niet overstekend in een bootje weliswaar, maar toch.

Oh nee, wolven en everzwijnen worden niet geacht gebruik te maken van ecoducten, zegt de provincie Gelderland. Maar hoe denken ze dat die beesten duidelijk te maken? Zouden bordjes met teksten als ‘aan de andere kant geen eikel te bekennen’ en ‘Roodkapje woont hier niet’ afdoende zijn?

 

Met stukjes noot (oktober 2019)

Gisteren was ik in Utrecht. Regelmatig laat ik me daar, door iemand die wél echt kan schrijven, bijspijkeren in het schrijven van dit soort onzinnige stukjes. Trekken aan een dood paard zult u denken en waarschijnlijk heeft u gelijk, maar ik ben koppig van aard en bovendien bijzonder hardleers. Twee deuren verder dan het futloze jaren zestig-pand waarin ons klaslokaal, driehoogachter boven een zieltogende matrassenboer, is gevestigd bevindt zich -schrik niet- De Pindakaaswinkel.

Daar heb ik mijn volledige verstand staan vergapen aan een etalage die letterlijk volgetast was met -u raadt het al- pindakazen in alle denkbare bruintinten, soorten en smaken. Een vraag kwam bij mij op, terwijl ik staarde naar pindakaas met sperzieboontjes en pindakaas met stukjes acaciahout. Wat bezielt iemand in hemelsnaam een winkel in pindakaas te beginnen?

Waren het onverwerkte jeugdtrauma’s? Wil de uitbater iedere dag weer herinnerd worden aan de droge sneetjes met de aan de randjes wat uitgedroogde bruine kledder die hij dagelijks in zijn boterhammentrommeltje aantrof? Stond bij deze pindakaasdealer vroeger soms het volledige assortiment van de Ruijter op de ontbijttafel, maar ontbrak steevast het glazen potje met het bruine dekseltje? Is hij er misschien helemaal niet groot en sterk van geworden en speelt hem dat nog dagelijks parten? Zou allemaal toch zomaar kunnen?

Of zou deze multinational in spe zich simpelweg af willen zetten tegen de firma Calvé, die in al die decennia van haar bestaan op het gebied van productinnovatie niet verder kwam dan het toevoegen van onduidelijke brokjes die door moeten gaan voor stukjes noot? Is deze creatieve aardnootvermaler misschien een aangetrouwde achterneef van de Amerikaanse president en pindaboer Jimmy Carter en kan hij de peulvruchten (jawel!) voor een schappelijk prijsje verwerven? Vergezocht, ik weet ‘t, maar toch.

Me verbazend over pindakaas met grove split en pindakaas met konijnenoogjes, kwam ik tot de volgende enigszins logische verklaring: Deze kleingrutter was, voor hij deze nering begon, langdurig werkeloos en zeer armlastig en zinde op manieren op eerzame wijze een royaal besmeerde boterham te verdienen. Op een ochtend heeft hij bij het aanschouwen van zijn, door onvoldoende en ongezonde voeding dun geworden, ontlasting gedacht: That’s it! Pindakaas!

 

Het hondje van de buren (november 2019)

Een van mijn buren heeft een hond. Een vriendelijk vuilnisbakje dat zijn dagen doorbrengt in zalige ledigheid, met het molesteren van schoeisel en met het bevuilen van de achtertuin, op voor eventuele opruimers lastig bereikbare plaatsen. Zijn kinderen zijn er dol op, zijn vrouw minder. Als ik het beestje rond zie scharrelen bekruipt mij ooit het idee zelf ook zo’n huisgenoot aan te schaffen. Tijdgebrek en ‘te weinig thuis’ zijn de vaste argumenten die ik mezelf dan voorhoud dat vooral niet te doen. Flauwekul natuurlijk; ik ben gewoon te lui om ‘m uit te laten en het sjouwen met hondenstront vind ik weerzinwekkend.

De buurman, een doodgoeie kloot verder, vertelde me dat hij ‘het joekeltje’, zoals hij hem steevast noemt, had meegenomen naar de dierenarts voor een ‘akkefietje’. Hij was hem ’s morgens al te slim af geweest, grinnikte hij met nauwverholen voldoening, door hem in plaats van de gebruikelijke brokken, een in worst verstopt pilletje te geven; “zodat ie een beetje z’n gemak zou houden”. Ik kon me het beestje voorstellen; enthousiast kwispelend met zijn iele staartje omdat hij zomaar, zonder daarvoor te moeten gaan zitten of ledematen op te tillen, zo'n lekkernij toegeworpen kreeg. Hij had zijn baas zonder twijfel dankbaar aangekeken zoals alleen een hond dat kan; zijn kop een beetje schuin en met de blik op standje ‘oneindig trouw’ zodat je het wit van zijn ogen kon zien. De judasgrijns van de buurman was hem in de opwinding vast ontgaan. Misschien had die zelfs nog huichelachtig “brááve hond” gezegd.

Ik zal u de onsmakelijke verhalen die volgden besparen; hij wist me de ingreep dusdanig plastisch te schilderen dat de lust dat hier te herhalen me volledig vergaat. Eind van het liedje was in ieder geval dat het hondje inmiddels thuis herstelde. “Het gaat ‘m weer prima”, grijnsde de dierenvriend; “gisteren lag ie alweer op zijn gemak zijn ballen te likken, als ie die tenminste had kunnen vinden”. Hij proestte het uit.

Onwillekeurig keek ik naar buurmans kruis en bedacht wat ik daar met een scherp mes, of desnoods een botte schroevendraaier, zou kunnen aanrichten.