Mooie woorden (mei 2020)

De strijd om de mooiste woordkeuze werd deze week overduidelijk gewonnen door het regionale sufferdje met ‘criminelen gaan onverdroten verder’, hoewel het lokale geitenblaadje nog bijna langszij kwam met ‘op creatieve wijzen’. Onverdroten, wat een prachtig woord. Magnifiek zelfs, dat past er beter bij.

Trouwens, valt het u niet op? Jawel; ik heb besloten in mijn stukjes alle op dode bomen gedrukte letters die mijn brievenbus binnenvallen niet langer op één hoop te vegen en onderscheid te gaan maken tussen het regionale dagblad en het plaatselijke weekblad. Ik kom steeds vaker tot de conclusie dat ik dat laatste daarmee ernstig tekortdoe. In tegenstelling tot het bovenmoerdijkse journaille van de tot regionale krant omgebouwde landelijke moloch, wordt de redactie van het onvolprezen Weekblad voor Deurne al jaren gevormd door een fris stel stukjesschrijvers van een zeer acceptabel niveau. Weliswaar worden zij door hun broodheer gedwongen hun schrijfsels voor advertentieruimte te verpatsen (ook zijn schoorsteen moet roken nietwaar), maar ze slagen er toch bijna wekelijks in de niet altijd even spectaculaire onderwerpen, als de aangekondigde jaarvergadering van de konijnenfokkersvereniging of de zilveren bondsmedaille voor de trombonist van de lokale fanfare, in een alleszins leesbaar jasje te steken. Dan moet je toch meer dan behoorlijk kunnen schrijven lijkt me zo.

Maar goed, mooie traditionele woorden dus. Ik heb daar wel wat mee. Zo heeft ’onverdroten’ iets heldhaftigs, zelfs in combinatie met ‘criminelen’ en zo klinkt quatsch stukken mooier dan onzin. Uiteraard staat een knevel altijd mooier dan een snor. Woordgebruik als dit wordt vaak versleten voor oubollig en is natuurlijk achterhaald door de tijd in onze vaak ver-engelste taal, maar voor mij blijft het toch echt wel iets statigs houden.

Dat geldt in mijn optiek met nadruk niet voor de semi-klassieke onzin waarmee bedrijven hun drollen voorzien van een sjiek vlaggetje. Ze zijn er blijkbaar vast heilig van overtuigd dat het toevoegen van enkele volstrekt loze letters hun nering naar een hoger niveau zal tillen. Je verkoopt vast meer biefstukken wanneer je jouw restaurant een ‘herberghe’ noemt en goedkope hotelkamertjes lijken beter te slijten als je met grote letters ‘haeghe’ achter je naam op de pui kalkt.

Dit soort dwaze hypocrisie gaat trouwens ook op voor de exotische titels die makelaars en vastgoedsouteneurs, maar ook gemeenten, geven aan de zielloze brokken beton en baksteen die ze aan de man willen brengen. Zou de bedenker van de naam van het appartementencomplex ‘Altura’ in mijn woonplaats, nu echt geloven dat de naam van dit zonnige Portugese plaatsje past bij deze vormeloze steenklomp? Ik waag het te betwijfelen. De veel te mondaine titel van het lokale project ‘La Façade’ (jawel, met een haakje eronder) vertelt gelukkig wél precies wat het is; valse schijn. Er zijn voorbeelden te over van dit soort flutbenamingen, zeker in het Peeldorp waar ik woon, maar die schieten me nu even niet te binnen. Ik schud telkens maar meewarig mijn hoofd wanneer ik er weer eens een voor ogen krijg.

Een heerlijke uitzondering vormt dan weer de naam van het Helmondse(!) ziekenhuis. Elkerliek is gewoon oudnederlands voor iedereen en dat lijkt mij nog steeds een uitstekende benaming voor een ziekenhuis. De bedenker hiervan heeft misschien nog een héél klein moment gedacht aan ‘Elckerlieck’ maar heeft toen waarschijnlijk besloten dat van die twee compleet overbodige letters niemand beter werd. En dat is juist daar wel de bedoeling.

 

Gerij (juni 2020)

Ik rijd motor. Herstel; ik bezit een motor. Ik leg op dat ding namelijk lang niet meer het benodigde aantal kilometers af dat mij nog zou kwalificeren als een waar motorrijder. Gevoelig zitvlees dat al protesteert wanneer ik me een kilometer of wat buiten mijn woonplaats waag, krakkemikkige gewrichten die beginnen te zeuren nadat ik een paar keer mijn koppelingshandle ingetrokken heb, maar vooral mijn alles overheersende gemakzucht doen mij meestal plaatsnemen in de zachtleren fauteuil van mijn vierwieler.

Jawel, dat leest u goed; ik bezit een voiture met geheel lederen bekleding. De aanwezigheid van de gelooide koeienhuiden was helaas ook de voornaamste reden dat ik, in het geheel niet gehinderd door enige technische kennis of financiële expertise, overging tot aanschaf ervan.

Wanneer u nu het idee mocht hebben dat ik de gelukkige bezitter ben van een luxueuze brandstof slurpende Amerikaanse veelcilinder, of van een weelderig met notenhout ingelegd automobiel van Angelsaksische origine moet ik u teleurstellen. Ook een van de wonderen van de hedendaagse Japanse of Koreaanse technologie treft u voor mijn deur niet aan. Om het rijtje dan maar compleet te maken; Fransen en Italianen zijn misschien goed in allerlei zaken die bijdragen aan het mondiaal welbevinden, maar het vervaardigen van deugdelijke auto’s en motoren behoort daar niet toe. Vandaar dat ik mij angstvallig verre houd van al hetgeen deze stokbrood- en pizzabakkers op het gebied van mobiliteit, tegen beter weten in, menen te moeten voortbrengen.

Mijn keuze valt dus sinds jaar en dag, en tot volle tevredenheid, op een Germaans vehikel. De Teutoonse donderkoets die tegenwoordig mijn oprit siert, heeft de stemgerechtigde leeftijd reeds lang bereikt, heeft het aantal af te leggen kilometers dat de fabrikant eertijds voor ogen had al ruimschoots overschreden en draagt nadrukkelijk de sporen van onregelmatig onderhoud en een dramatisch gebrek aan wasbeurten. Enkel de nooit aflatende zorgen van mijn favoriete lokale sleutelkoning (vriend!) behoeden mijn mirakel van Pruisisch vernuft voor een enkele reis richting sloophamer.

Nu vind ik sowieso het poetsen van een auto een van de meest zinloze bezigheden die ik ken; ikzelf bevind mij voornamelijk binnen in het koetswerk, gelukzalig omgeven door het gansch lederen interieur, en heb daar verder weinig boodschap aan de buitenzijde. Ook kijk ik enkel om, na het uitstappen, om te zien of de verlichting mijn wrakke accu mogelijk nog aan het leegtrekken is en niet om mijn statusblik nog even bewonderend te aanschouwen.

Maar goed; ik begon dit stukje met vertellen dat ik de gelukkige bezitter ben van een motorrijwiel. Helaas belet het maximale aantal woorden van een blogje als dit, iets waar mijn vriendin op blijft hameren, hier verder over uit te weiden. Een volgende keer vertel ik u daar meer over. Beloofd.

 

Harba Lori Fa! (juni 2020)

Zo’n 2000 jaar geleden was heel Brabant bezet door de soldaten van Julius Caesar, de Romeinse veldheer. Héél Brabant? Helaas wel ja. Zelfs niet één enkele kleine nederzetting bleef moedig weerstand bieden aan de overweldigers.

Het waren woeste krijgers en bloedige overheersers, die Romeinen, in tegenstelling tot de vreedzame Belgae, zoals de inwoners van Brabant door Caesar genoemd werden. Die hielden zich, zoals de overlevering ons vertelt, voornamelijk bezig met het vangen van wilde zwijnen en het op romantische dorpspleintjes nuttigen ervan, tijdens uitbundige feestmaaltijden tot diep in de nacht. Maar dat veranderde met de komst van de Romeinse onderdrukkers.

De overwonnen Brabanders werden verplicht het grootste deel van hun oogst af te staan en het voedsel werd schaars. De bezetting drukte zwaar op onze bevolking. Weliswaar ging onze nationale held Ambiorix nog even manmoedig voorop in een onafhankelijkheidsstrijd, maar Julius drukte dat zonder pardon de kop in met zijn krijgsmacht van maar liefst 50.000 zwaarbewapende legionairs.

De zachtaardige Belgae waren natuurlijk geen partij tegenover zo’n overmacht en na de nederlaag lieten de aanhoudende Romeinse vergeldingsacties een spoor van vernietiging achter. Dorpen, steden en akkers werden geplunderd en in de as gelegd, het vee geroofd en de bevolking werd vermoord of als slaaf verkocht. Niet zelden belandde een goedmoedige Brabander in een Romeinse arena waar hij gedwongen werd het blootvoets op te nemen tegen gepantserde gladiatoren en alles verscheurende wilde dieren. In mijn familie circuleert nog steeds het verhaal dat een van mijn voorvaderen in een dergelijk heroïsch gevecht tegen een schapenbok het leven liet, maar dat terzijde.

De trotse Brabanders verwerden tot lijfeigenen die in het zweet hunnes aanschijns de Italiaanse bezetters moesten dienen, hun smerige latrines schoon moesten maken (ooit een Italiaanse wc gezien?) en gouden helmen moesten vervaardigen. Voor wat betreft dit laatste: u hebt toch niet het idee dat een Romeinse helm, die na twintig eeuwen ongeschonden uit een zompig moeras naar boven wordt gehaald, gemaakt is door een voorouder van een spagettislurper die nog geen schroefje fatsoenlijk in een Fiat kan draaien wel?

Deze inktzwarte periode, die bijna vijf eeuwen duurde, werpt nog steeds een vuile smet op onze Brabantse geschiedenis en is iets waar wij Brabanders, zelfs nu nog, heftig onder lijden. Ik overweeg dan ook te gaan verkassen naar Italië. Ik ben van plan me daar bezig te gaan houden met het organiseren van demonstraties, het bekladden van klassieke gebouwen uit het begin van onze jaartelling en het omgooien van marmeren standbeelden. Allemaal voor de goeie Brabantse zaak natuurlijk.

Droesem (juni 2020)

Mijn beste zwager is een wijndrinker. Dat ‘beste’ overigens, is geen overdrijving. Hoewel mijn broertjes en ik hem regelmatig melden dat ons zusje voor een paar luttele centimeters worst een heel varken in bed getrokken heeft, had ze het echt niet beter kunnen treffen. Maar goed; een ware wijnproever dus en het nuttigen van een flesje is voor hem dan ook een heel ritueel, wat begint bij het uitgebreid besnuffelen van de kurk en het inschenken van een minieme hoeveelheid, die vervolgens onder iedere denkbare hoek tegen het licht wordt gehouden. Na langdurig walsen wordt dan, met de neus onsmakelijk diep in het glas, gesnoven waarna een voorzichtig slokje langdurig gegorgeld, geslobberd en gespoeld wordt. En dan moet de eerste serieuze teug nog genomen worden. Na een glas of wat volgt dan de haast onvermijdelijke lofzang op de wijnboer en zijn maaksel.

Ik heb wel een beeld bij zo’n wijnboer. Het is altijd een knoestige, door de zon gelooide Frankrijker die meestal Gaston of Baptiste maar nooit Ilja heet en die in de zomer zijn vettig alpinopetje verruilt voor een strooien hoedje om, met een tangetje wat al zeventien generaties in de familie is, de gigantische trossen van de struiken te knippen. In grote rieten manden sjouwt hij die daarna naar een idyllisch kromgetrokken boerderijtje, waar ze door schaars geklede en vrolijk zingende meisjes met donkere krullen in grote houten kuipen blootvoets tot wijn vertrapt worden. In de avonduren zit de ambachtsman dan bij kaarslicht die wijn te gieten en kurken te stoempen in stoffige flessen, terwijl zijn morsig vrouwke de etiketten plakt. De hele winter, wanneer er toch weinig druiven te plukken zijn, besteedt de akkerbouwer dan aan het verzinnen van allerlei idiote superlatieven om zijn bocht aan de man te kunnen brengen.

Want daar wringt, om maar niet te zeggen knelt, nou mijn schoen. Deze week kwam ik, op de wijnkaart in een prima lokaal restaurant, weer zo’n omschrijving tegen die mijn pantalon tot een treurig dieptepunt liet afzakken. Ik wil hem u niet onthouden. ‘In de neus lentebloemen, grafiet, houtskool gerookt hout, wierook, bramen, blauwe bessen met hints van koffie en chocolade.’ Huh? Ik nodig u van harte uit in mijn fors bemeten reukorgaan te komen kijken, maar daar treft u dit soort zaken niet aan. Grafiet, houtskool, wierook, koffie, chocolade? We hebben het over wijn toch? Als ik zin heb in koffie of chocola, bestel ik die wel en wierook wil ik zelfs liever niet ruiken bij een begrafenis. Houtskool is voor de barbecue en van grafiet maken ze potloden.

Maar we zijn er nog niet. ‘In de mond is deze wijn onberispelijk gebouwd, met extravagant fruit en een ongelooflijke rijkdom in lagen. Tannines, hoewel nog steeds zeer zichtbaar, zijn zijdeachtig en hebben een fijne korrel.’ Nou geloof ik niet dat ik erop zit te wachten dat er in mijn mond gebouwd wordt, vooral niet in lagen en zeker niet met extravagant(?) fruit. De enige die zonder gevaar voor verlies van vingers in mijn mond mag wroeten is mijn tandarts en dat nog alleen wanneer de pijn echt niet meer te harden is. Bij de duidelijk zichtbare tannines, al hebben ze dan een fijne korrel, wil ik me geen voorstelling maken. Drijven die soms in schilferige brokjes aan het oppervlak? Tannine trouwens, is een soort looizuur, het goedje waar ze vroeger huiden mee looiden. Het is maar dat u het weet.

Ik ben geen wijndrinker, laat staan een wijnkenner. Ik geef de voorkeur aan frisgehopte en liefst wat zwaardere abdijbiertjes, die ook zonder allerlei slap gezever de weg naar mijn koelkast hebben weten te vinden. En natuurlijk heb ik wel eens een glas wijn gedronken. Ik vond het eigenlijk vooral lijken op druivensap met een scheutje alcohol. Best lekker, op een terrasje in de zon, in een longdrinkglas, met een ijsblokje.

Mocht u nou werkelijk het water in de mond gelopen zijn bij voorgaande beschrijving; het gaat hier om een Chateau Pichon Longueville Baron Deuxième Grand Crú Classé 2009 (tja, het beestje moet een naam hebben nietwaar) en hij kost net geen 300 euro. Het spul is bij uitstek geschikt om speklapjes mee te marineren voor op de barbecue.