Ik geloof? (juli 2020)

Gisteren las ik in de krant, prominent op pagina twee zelfs, dat de Paus verdrietig is. Aanvankelijk was ik erg tevreden over het feit dat de kerkvorst zodanig begaan is met het lot van de wereld dat hij er zwaar van ondersteboven is. Dat duurde maar even; in het artikel werd gemeld dat de kerkvader zwaar in de put zit omdat een wereldvreemde potentaat een protserig paleis in zijn verwegland om wil bouwen tot moskee. Natuurlijk heb ik compassie met het emotionele welzijn van de geestelijk leider van een dikke miljard wereldburgers, maar ik vroeg me toch af of de beste man zich, zeker in deze tijd, niet beter ergens anders druk over kan maken.

Ik heb een wat vreemde relatie met de Rooms-Katholieke Kerk. Zonder er ooit bij stil te staan vul ik nog steeds braaf ‘rk’ in als mij gevraagd wordt mijn geloofsovertuiging aan te geven. En waarom eigenlijk? Want laten we vooropstellen; ik loop de deur zeker niet plat bij de imposante kerk met het formidabele Smitsorgel in mijn woonplaats. Integendeel. Maar de enkele keer dat ik daar binnenwandel loop ik er altijd ook weer met een goed gevoel naar buiten. De serene rust daarbinnen verdrijft de voortdurende storm in mijn kop een beetje, de haren op mijn armen gaan recht overeind staan als ik het orgel hoor en ik mag graag luisteren naar wat er vanaf de kansel verteld wordt.

Nu is het beslist niet zo dat ik klakkeloos al die verhalen uit het Nieuwe Testament voor waar aanneem. Het lijvige boekwerk werd geschreven eeuwen nadat de hoofdpersoon leefde en lang nadien nog talloze malen naar eigen believen ingekleurd door allerlei direct belanghebbenden. Er zitten plat gezegd passages in die ik even onwaarschijnlijk acht als hetgeen door de gebroeders Grimm eeuwen later werd neergepend.

Ontken ik daarmee dat de held in die verhalen bestaan heeft? Nee hoor. Wie ben ik om dat te kunnen beweren? Ikzelf denk, en dat mag ik dan weer wel volgens mij, dat er in het begin van onze jaartelling in het toen al roerige Midden-Oosten iemand rondgelopen heeft die mogelijk tot een, misschien wel geweldloze, opstand heeft aangezet tegen de wrede Romeinse bezetters. En dat hij, niet geheel ondenkbaar, daarvoor door diezelfde onderdrukkers veroordeeld werd tot een gruwelijke dood. Of hij al dan niet de zoon van God was is voor mij persoonlijk minder relevant. Over het bestaan van een god mag ieder zijn eigen mening hebben en de mijne houd ik graag voor mezelf. Wat ik wél denk is dat hij blijkbaar een bijzonder aansprekend persoon was, die zodanig indruk maakte op zijn volgelingen, dat nog lang na zijn dood verhalen over hem de ronde deden.

En uiteraard werden die verhalen allengs steeds sensationeler en daarmee ook onwerkelijker. Wij mensen hebben nu eenmaal de neiging ieder verhaal dat we doorvertellen wat aan te dikken, zeker als het gaat over iemand die we bewonderen. Als je dat maar lang genoeg blijft doen, wordt ieder relaas natuurlijk steeds fantastischer. Maar hoe onwaarschijnlijk die vertellingen ook werden, de onderliggende boodschap bleef overeind. En die werd volgens mij nooit mooier verwoord dan door mijn ex-schoonvader in zijn malse Brabants; ‘ge moet gewoon goe zijn vur oewen evemens’. En met dat credo kan ik prima leven.

Het is dan ook niet die boodschap die mij tegenstaat, zeker niet. Dat is voor mij beslist wél het instituut; de Chiesa Cattolica SLR, oftewel de Katholieke Kerk BV. En ik wil het hier niet hebben over wat deze organisatie in de loop der eeuwen al dan niet verkeerd gedaan heeft en op welke wijze die zich al dan niet verrijkt heeft. ‘The past is a foreign country; they do things differently there’, nietwaar? Maar in mijn optiek, en ook dit is weer strikt persoonlijk, wordt de directie ervan nog steeds gevormd door behoorlijk wereldvreemde heren op leeftijd, die vanuit een ivoren toren hun geestverwanten vertellen wat wel en vooral wat niet mag, op basis van door de tijd achterhaalde reglementen.

Maar laat ik nu wel even duidelijk zijn: ik heb het in deze hele tirade pertinent niét over onze lokale zielenherder, die ik zelf bijzonder hoog heb zitten. Dat blijkt telkens weer een bevlogen kerel te zijn, die zich het vuur uit de sloffen loopt voor het welzijn van zijn goegemeente en nadrukkelijk ‘met zijn poten in de klei staat’.

Dat vrouwen nog steeds nauwelijks een rol van betekenis hebben bij de multinational vind ik zondermeer onverteerbaar. Nog steeds lijken het in de ogen van de almachtige kerk tweederangsburgers te zijn, ongeschikt een verheven ambt te bekleden. Da’s behoorlijk passé toch? En vanuit hetzelfde perspectief: ook het celibaat is behalve onmenselijk ook niet meer van deze tijd, denk ik zo. Je zou toch zeggen dat zelfs de katholieke hotemetoten geleerd zouden moeten hebben van het verleden. En ja; ik weet dat alle geestelijken er zelf voor kiezen, maar viriele jonge kerels veroordelen tot een seksloos leven en ze daarbij ook nog eens een rol toedichten in de opvoeding van kinderen? Da’s toch vragen om moeilijkheden?

De hoog gemijterde heren op het hoofdkantoor in Rome lijken aan dit soort zaken nog steeds geen boodschap te hebben en blijven stug volharden in hun tot de draad versleten dogma’s. Toch raar voor een club die last heeft van ernstige leegloop en zich naar mijn idee toch eens wat anders zou moeten profileren. En weer kon niemand het mooier zeggen dan mijn ex-schoonvader (god hebbe zijn ziel, wat erg mooi is in dit kader toch?): ‘Die daor bove hì ’t goe mì ons vur, mer hij hì veul kòòj grondperseneel’. De spijker op z’n kop lijkt me zo.

Een brug te ver (oktober 2020)

…en dan lees je in onze regionale ‘kwaliteitskrant’ dat er in Helmond dringend behoefte is aan nóg een brug over ‘de knaal’. De zevende maar liefst binnen één kilometer. Tuurlijk! Waar Eindhoven meent zich op te moeten stuwen in de vaart der volkeren met een megalomaan project als het volkomen nutteloos van de grond tillen van een kerk, denkt de metropool Helmond dat het aantal overspanningen bepalend is in de mondiale pikorde. Bruggen heb je nooit genoeg, net als treinstations.

Want aan stations geen gebrek, in ‘Hellimond’. Vier liggen er maar liefst, op kruipafstand van elkaar. Als je op een station achteraan in een stilstaande trein stapt en je loopt naar voren kun je op de volgende halte alweer uitstappen en wanneer je op de ene stopplaats een sigaret opsteekt beginnen ze op de eerstvolgende te hoesten.

Ik kan me dan ook niet aan de indruk onttrekken dat de apparatsjik die in Catstown verantwoordelijk is voor verkeerszaken wild is op treintjes. Ik kan me zelfs zomaar voorstellen dat hij ’s avonds, na alweer een dag zwoegen voor de baas, op zijn zolderkamertje bergjes en tunneltjes van papier-maché boetseert, ingewikkelde rangeerterreintjes aanlegt en huisjes, boompjes en vooral stationnetjes in elkaar knutselt. En dat hij aan het eind van de avond zijn conducteurspet opzet, zijn spiegelei ter hand neemt, op zijn fluitje blaast (zachtjes natuurlijk, om zijn vrouw niet wakker te maken) en tevreden toekijkt hoe zijn locomotiefjes netjes stoppen bij ieder perronnetje.

Stoort mij die overdaad aan Helmondse stopplaatsen? Nee; niet in het minst. Dankzij mijn gruwelijke aversie tegen alles wat met openbaar vervoer te maken heeft, maak ik daar alleen gebruik van als het écht niet anders kan. Ik ben de gelukkige bezitter van een automobiel en mocht die onverhoopt dienst weigeren heb ik altijd nog een motorfiets achter de hand om, desnoods in de plenzende regen, te voorkomen dat ik me met het OV moet verplaatsen. Ik heb er dus ook vrijwel nooit last van dat treinmachinisten menen in Helmond om de paar honderd meter stil te moeten staan.

Wat mij wel dagelijks mateloos irriteert aan het Helmondse verkeersbeleid is de totale verkeerschaos die de stad over zichzelf afroept op de semi-snelweg die dwars door het provincieplaatsje loopt. Hoezo ‘dagelijks'? zult u zich nu waarschijnlijk afvragen. Jawel, sinds kort ben ik werkzaam in deze negorij en voordat u nu denkt dat het mij volledig in de bovenkamer is geslagen; ik zie dat als een vorm van ontwikkelingshulp.

Maar dit terzijde. Natuurlijk was, en is, het een volkomen absurd idee met een vierbaans autostrada het kattenmeppersdorp dat door het kanaal al in tweeën gedeeld was, nog eens een keer doormidden te snijden. Maar goed; het kreng ligt er nou eenmaal en we willen er iedere dag weer met z’n allen overheen. Droevig is wel dat is er in het lokale stadskantoor blijkbaar nog steeds niemand op het illustere idee gekomen is de doorstroming op die racebaan wat te verbeteren. Tussen Deurne en Eindhoven kom je welgeteld 19 verkeerslichten tegen die je zonder overdrijven ook gerust stoplichten mag noemen. Van het fenomeen ‘groene golf’ hebben de lokale verkeersconnaisseurs namelijk nooit gehoord, waardoor je telkens wanneer je net goed op gang gekomen bent weer vol in de ankers moet voor de volgende rode lamp. Iedere haringkar, oudijzerboer of hamburgerliefhebber die besloten heeft de weg over te steken roept subiet de totale verkeersstroom een onverbiddelijk halt toe, met alle tenenkrommende gevolgen van dien.

Het zou natuurlijk zo kunnen zijn dat onderzoeken hebben uitgewezen dat de gemiddelde Helmonder dol is op het fijnstof en de uitlaatgassen van die enorme aantallen auto’s die om de paar honderd meter afremmen, stoppen en weer optrekken en al die kwalijke stoffen het liefst met diepe teugen inhaleert. Een andere reden voor deze al decennia voortdurende verkeersmalaise zou ik hier eigenlijk niet kunnen bedenken.

Maar goed; onze treinfanaat heeft zich nu dus blijkbaar vol enthousiasme gestort op het verwezenlijken van een nieuw ideaal; nóg een brug over Het Kanaal erbij. Ik heb wel een (geheel gratis) suggestie voor deze beste man. Als je toch niet van plan bent de verkeersdoorstroming behoorlijk te regelen, leg dan een fatsoenlijke weg óm Helmond heen, sloop die miskleun die jullie vol trots Traverse noemen en gebruik het vrijkomend puin om die, inmiddels volstrekt nutteloze, sloot te dempen. Dat scheelt bruggen en vooral (mijn) ergernis.