Wachttoren meneer? (januari 2020)

Gisteren, op de drempel van het nieuwe jaar, stonden ze weer eens bij me op de stoep; twee goedbedoelende medemensen die langs de deuren gaan om hun god aan de man te brengen. Omdat ik toch niks beters te doen had en de weersomstandigheden voor iets dergelijks prima waren, besloot ik eens op mijn gemak tegen de deurpost aan te gaan hangen en te horen wat ze te melden hadden.

En Dat Moet Je Dus Niet Doen.

Laten we vooropstellen dat ik oprecht bewondering heb voor deze tot op het bot gemotiveerde lieden. Je voor jouw eerlijke overtuiging op het ene adres af laten zeiken en toch weer met een glimlach aanbellen bij de volgende hork die misschien nog net niet de hond op je af zal sturen, maar waarschijnlijk wel de deur in je gezicht zal smijten; ik geef het je te doen. Op het vlak van minachting voor andermans geloof staan de Joden natuurlijk op een trieste eerste plaats na alle pogroms door de eeuwen heen en die idiote moffen die het nog drastischer aanpakten, maar al die van stoepjes getrapte Jehova’s lijken mij een goeie tweede.

Terwijl ze me uitgebreid vertelden zich ernstig zorgen te maken over de goddeloze levensstijl van de mensheid in het algemeen en die van mij in het bijzonder, nam ik de tijd het koppel eens goed te bekijken. De ene, van het type getapte jongen, was wanneer hij niet in de Here verzeild geraakt zou zijn waarschijnlijk in de tweedehands-autohandel terecht gekomen. Hij had deze ochtend de schaarse haren, die zorgvuldig over zijn kalende schedel gedrapeerd waren, getrakteerd op een extra klontje margarine zo leek het, en had daarbij de kraag van zijn jas niet ontzien. De ander was de altijd glimlachende ja-mijn-welbespraakte-broeder-heeft-gelijk-knikker die duidelijk een carrière als hagelslagknipper was misgelopen. Naar het zich liet aanzien had hij kort geleden ruzie gemaakt met zijn tondeuse en had in die veldslag duidelijk het onderspit moeten delven. Onder hun regenjassen, die geleend leken te zijn van de set van een Humphrey Bogartfilm, waren ze allebei gekleed in stemmig en zeer gedateerd grijs. Blijkbaar had de afdeling P&O van Jehova BV bij het vallen van de Berlijnse muur in 1989 de hand weten te leggen op de in de jaren vijftig aangeschafte voorraad bedrijfskleding van de Stasi. Beiden droegen ze een glimmende kunstlederen aktentas waarin behalve de onvermijdelijke folders waarschijnlijk ook hun, ongetwijfeld door vlijtige zusters in de Here gesmeerde, boterhammetjes werden meegesjouwd.

Eigenlijk stond ik na een minuut of tien op het punt het godvrezende stel een kop koffie aan te bieden, tot ik in de gaten kreeg dat de aanvankelijk gemoedelijke toon verdwenen was en ze inmiddels doende waren kruiwagens vol hel en verdoemenis over mij uit te storten. Heel even probeerde ik nog het gesprek een luchtiger kant op te sturen door te betogen dat ik, wanneer ik dan toch mocht kiezen, de voorkeur had voor het vagevuur na mijn verscheiden, omdat ik graag vrienden en zeker ook mijn broers terug wilde zien, maar de ijzige blik van de onheilsprofeten duidde erop dat ze deze uiterst grappige opmerking al eerder gehoord hadden en dat ze niet van zins waren hiervoor hun pantalons te bevuilen van het lachen. Vooral door het voortdurend terugkerende vermanende vingertje -‘slaan met een denkbeeldig stokje’ noemt een van mijn broertjes dat- begon ik het koppel aardig zat te worden en toen het exemplaar met de ontplofte haardos ook nog in zijn tas begon te graaien naar ongetwijfeld leerzame lectuur, besloot ik het gesprek te beëindigen. De heren wilden daar echter niet van weten en hielden vooral verbaal een schoen met stalen neus resoluut tussen de deur. Telkens wanneer ik die na een ferm gemompeld ‘tot ziens’ wilde sluiten, wisten ze me nog net die ene vraag te stellen waarop ik het gewoonweg niet kon laten te antwoorden. Toen ik in een minutenlange monoloog ook nog eens meerdere malen de woorden alcohol, verdoemenis en inferno ontwaarde voelde ik me dermate persoonlijk aangesproken dat ik toch tot straffere maatregelen besloot over te gaan.

Ik gebruikte een pauze in de tirade waarin hij wel naar lucht móest happen om het tweetal toe te roepen dat ik binnen de telefoon over hoorde gaan, dat ze maar even moesten wachten en dat ik zo weer terug zou zijn. Hen duidelijk verbouwereerd voor de open deur achterlatend verdween ik in de keuken waar ik subiet besloot mezelf te trakteren op een welverdiend -vond ik zelf- biertje. Met mijn nieuwe beste vriend in de hand -nee, ik houd niet van rare superlatieven voor een pilsje en ‘een blonde rakker’ vind ik zelfs ronduit misselijkmakend- ging ik tegen het aanrecht aanhangen waar ik enige minuten in tevreden contemplatie doorbracht. Hierna besloot ik eens te kijken hoe het met de twee handelsreizigers in geestelijk goed gesteld was.

Uiteraard niet langs de weg die ik zojuist bewandeld had; ik ben niet helemáál achterlijk. Via de achterdeur en de garage belandde ik op de oprit waar ik schielijk om de huishoek gluurde. Met engelengeduld -hoe toepasselijk- stonden de twee naar het lege gat van de deur te staren. Heimelijk sloop ik terug, nam nog een biertje, schilde de aardappels voor het avondeten en dat van morgen, en deed en passant de afwas die me al een paar dagen had staan aanstaren. Na een tijdje realiseerde ik me dat het toch wel een wat eigenaardig gezicht moest zijn; die twee malloten die daar al tijdenlang voor een open deur stonden te wachten. En mede gezien het feit dat mijn buren me sowieso al niet helemaal voor vol aanzien, besloot ik de makkers maar uit hun lijden te gaan verlossen.

Vastbesloten het verbale gevecht manmoedig aan te gaan opende ik de keukendeur en keek tot mijn niet geringe verbazing in een leeg halletje. Ook engelengeduld was blijkbaar eindig. Ze hadden de voordeur keurig dichtgetrokken en op de kokosmat lag een kaartje. ‘U mag altijd bellen’ stond erop gekrabbeld, boven een nul-zes-nummer. Heel even had ik de neiging meteen te bellen en te zeggen dat ik me zojuist bekeerd had tot het Zen-Boedhisme, maar ik bedacht me net op tijd en gooide het kaartje in het Bavaria-kistje met oud papier. ’En leid ons niet in bekoring’ en zo.

De volgende keer krijgen ze koffie. Of ik kijk eerst stiekem door het spionnetje, doe daarna niet open, houd me angstvallig muisstil en schaam mezelf voor zoveel lafheid tot ze zijn doorgelopen.

 

Kafferen en ketteren (januari 2020)

Ik ben een grofgebekte vlegel die te pas en vooral te onpas ongenuanceerde dingen roept. Ik zie zaken voornamelijk zwart en maar zelden wit en verkondig luidkeels fulminerend mijn zienswijze als de enige ware. Ik ga gemakshalve uit van de stelling dat ieder ander nauwelijks recht heeft op een eigen, maar nadrukkelijk wel op míjn mening en mij ongevallige argumenten veeg ik minachtend scheldend van tafel. Maar dit alles wist u al. Tot voor kort had ik hier ook geen enkel probleem mee. Min of meer onbekenden die me dit in mijn gezicht durfden verwijten waren op de vingers van één hand te tellen; zij werden door mij vuilbekkend weggehoond.

De laatste tijd echter, suggereren ook mensen die me na staan (ook anderhalve man en een paardenkop overigens) dat ik af en toe mijn mond wel mag spoelen met bleekwater en dat vind ik dan weer minder. Ik heb mezelf dan ook voorgenomen niet zozeer mijn expliciete uitspraken af te gaan zwakken maar wel mijn taalgebruik enigszins te matigen.

Maar het wordt me potverdriedubbeltjes (!) niet makkelijk gemaakt! Dagelijks staan de kranten vol met politici die hun bips (ziet u de nuance?) afvegen aan hun achterban, drugcriminelen die ontlasting (u bemerkt de verfijning in mijn taalgebruik?) hebben aan onze rechtspraak en zielige verdrinkvluchtelingen die in het door burgeroorlog en hongersnood geteisterde Marokko vast en zeker vreselijk doodvermoord zouden worden (mijn goede wil is toch overduidelijk?) en die op onbeschofte wijze misbruik maken van onze ietwat slappe regelgeving (ook hier houd ik me weer in). Een mens zou zich voor minder de woede van de Bond tegen vloeken op de hals halen nietwaar?

Ook centjes bijeengarende Europarlementariërs (netter dan graaien toch?) die het allemaal geen platte homoseksueel (jawel, ook hier kom ik mee weg) kan schelen zolang wij hun volvette salaris maar blijven overmaken en op vrouwelijkgeslachtsdeelbrommertjes rond jakkerende teelbaljunkies (twee keer in één regel) die bejaarden in de nek slaan voor een handvol kwartjes en daar met drie uur schoffelen vanaf komen doen mijn vocabulaire geen goed.

Eén keer onbeschoft tekeergaan in een stukje als dit mag best, vind ik. Met dank aan Jochem voor de meer dan passende uitdrukking; aan al deze stripfiguren ongezien de tyfus!